Vlaanderen kiest deze dagen volop voor polarisatie met de verharding van het hoofddoekendebat. Niet de structurele ongelijkheid in onderwijskansen en –resultaten staat daarbij centraal, maar de vraag of moslimmeisjes wel of niet hun hoofddoek mogen ophouden op school. Is dit een zoveelste illustratie van een oprukkend neo-racisme en culturisme, zoals de Nederlandse socioloog Willem Schinkel het noemt? Op zoek naar andere stemmen en/of meer nuance in het debat las ik de voorbije weken het boek ‘De gedroomde samenleving’ van Schinkel. Het boek is verfrissend én teleurstellend tegelijk, maar wel aan te raden lectuur om te kijken achter de sluiers van het denken in tijden van hoofddoekfixatie. Of wat we (niet) kunnen leren van Willem Schinkel...
Willem Schinkel is theoretisch socioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en kreeg enige bekendheid in 2007 met zijn boek ‘Denken in tijden van sociale hypochondrie’. Als samenleving gedragen we ons volgens hem ‘hypochondrisch’, omdat we ons krampachtig fixeren op alle mogelijke ziektes en bedreigingen die ons en de eenheid in onze samenleving kunnen bedreigen. We zijn daarbij voortdurend op zoek naar eenheid en orde. In zijn laatste boek ‘De gedroomde samenleving’ werkt hij dit verder uit ten aanzien van ons [integratie]debat. Hij zet zich daarbij uitdrukkelijk af tegen Paul Scheffer en zijn ‘Land van aankomst’. Scheffer domineerde de afgelopen jaren het [integratie]debat met zijn oproep voor gedeeld burgerschap en legde daarbij ook een belangrijke verantwoordelijkheid bij migranten. Scheffer situeerde zich daarbij op de zeer dunne lijn tussen [integratie] en assimilatie, tussen responsabiliseren, culpabiliseren en culturaliseren.
Schinkel tapt uit een heel ander vaatje, wanneer hij provocerend pleit voor een afschaffing van het hele [integratie]beleid. Volgens hem maken we ons ‘op een sociaal-hypochondrische wijze’ druk om [integratie]. Hij zet dat woord tussen haakjes, omdat [integratie] voor hem veeleer een symbool is. Het benadrukken van [integratie] is bedoeld om de scheiding tussen ‘leden van de samenleving’ en ‘niet-geïntegreerden op te heffen, maar draagt daardoor juist bij aan de voortdurende uitsluiting van diegenen van wie de [integratie] wordt geproblematiseerd. Zo komen we tot een (door sommigen bedoelde, maar door velen onbedoelde) radicale uitsluiting van mensen met een ‘andere cultuur’. Tegenwoordig gaat het daarbij vaak om moslims.
Onbewust vertrekken we daarbij van een erg organische en statische kijk op de samenleving als een afgebakend en af te bakenen geheel. Daarbij negeren we dat diegenen die nog moeten ‘integreren’ ondertussen ook al deel zijn van onze samenleving, zij het van een veranderde en nog sterk veranderende samenleving. In dat opzicht noemt Schinkel het gebruik van de term (of het symbool) [integratie] bijzonder productief, maar anders dan we denken: het helpt om de problematiek in stand te houden. Juist de aandacht voor [integratie] houdt de scheiding tussen ‘de samenleving’ en de ‘niet-geïntegreerden’ in stand die het met de beste bedoelingen wil overbruggen.
Het concept [integratie] is en werkt normatief. Het draagt bij aan het creëren van een beeld van wat onze samenleving juist is. Die werking van de notie [integratie] analyseert Schinkel uitgebreid in wat hij ‘een diagrammatica van [integratie]’ noemt. Aan de ene kant individualiseert de notie [integratie]: individuen moeten zich integreren. Aan de andere kant desindividualiseert het ook: het gebrek aan [integratie] wordt al snel verbonden met dé cultuur van Ali of Mohammed.
Schinkel wijst ook op de eenzijdigheid van het [integratie]-onderzoek. Bij mensen van andere etnische afkomst wordt [integratie] ondermeer gemeten door het aantal contacten met autochtonen. De vraag hoeveel contacten die autochtonen dan hebben met mensen van andere etnische afkomst, wordt niet eens gesteld, laat staan in termen van [integratie] in een steeds meer diverse samenleving. ‘Normal science’ wordt daarbij ‘normalizing science’, vat Schinkel zijn kritiek op de meerderheid van het sociologisch onderzoek samen.
Toch is net op dat [integratie]discours een deel van het debat over burgerschap geënt, waarbij steeds vaker een moreel burgerschap het formele burgerschap overheerst. Het moet een actief, constructief burgerschap zijn. Net zoals [integratie] wordt zo ook burgerschap tot een symbool dat de grenzen tussen ‘in’ en ‘uit’ versterkt.
Het centrale punt van Schinkel is dat spreken over [integratie], met welke bedoelingen ook, steeds een strategisch spreken is en onmogelijk neutraal kan zijn. Het is evenmin machtsvrij. Die macht is productief in het afbakenen van de samenleving, maar werkt tegelijk uitsluitend. In feite vertrekken we van een wensbeeld van wat de samenleving is of zou moeten zijn, van een ‘gedroomde samenleving’, die een ‘zuivere’ samenleving is. Hierop is ook de ‘[integratie]markt van welzijn en geluk’ gebaseerd, die niet alleen integreert, maar vooral ook normaliseert. Het wordt een markt ‘van eenheid en orde’.
In het derde hoofdstuk bekritiseert Schinkel de culturalisering van het debat. Structurele achterstelling van migranten inzake inkomen, arbeidsmarktpositie, onderwijskansen en huisvesting worden steeds vaker als culturele problemen behandeld. Stilaan groeien we door naar een extreme vorm en pervertering van culturalisme, die Schinkel ‘culturisme’ noemt, wat aanleiding geeft tot racisme waarbij de notie ‘ras’ is vervangen door ‘cultuur’. In deze ‘culturistische’ fase bepleit men de assimilatie van migranten die hun cultuur moeten aanpassen. [integratie] wordt dan een eenzijdig proces. Kenmerkend is dat men steeds de cultuur (van de migranten) als achterliggende oorzaak van de meest uiteenlopende problemen ziet, omdat die niet past bij de dominante cultuur. En opnieuw versterkt dit de scheiding tussen ‘de samenleving’ en de ‘niet-geïntegreerden’.
In zijn slothoofdstuk analyseert Schinkel de discoursmechanismen van wat hij het hedendaagse ‘multiculturealisme’ noemt. We moeten vandaag immers realist zijn en toegeven deat de idee van een multiculturele samenleving niet heeft gewerkt. Het verdedigen van de multiculturele samenleving veroordelen we als een verouderd, politiek correct links denken, waarbij het afstand nemen van dat denken ondertussen het nieuwe, dominante politiek correcte denken is geworden. Toch wordt dit verhult door een underdog-positie te blijven koesteren. Zo herhaalt Schinkel zijn basisstelling dat met taal voortdurend op een strategische manier wordt omgegaan en dat het [integratie]discours zo de scheiding tussen ‘de gevestigden en de buitenstaanders’ reproduceert.
Schinkel eindigt zijn boek dan ook met een (normatieve) oproep om op een geheel andere manier over [integratie] te spreken. Enkel door een creatieve transformatie van dat discours kan een ander perspectief ontstaan. Daarom moeten we – zoals Schinkel poogt – de paradoxen in het huidige discours expliciet maken en de contradicties blootleggen. In plaats van zoals vandaag eenzijdig [integratie] te meten, zou de sociologie juist het [integratie]discours moeten analyseren en blootleggen hoe we ‘samenleving maken’, ook doorheen de taal. Want door de vanzelfsprekendheid spreekt de macht.
Het zal duidelijk zijn: wie pasklare antwoorden zoekt, blijft op zijn honger zitten. Schinkel heeft op twee punten een verfrissende inbreng in de debatten. Het hele boek door confronteert hij hoe alle taalgebruik – ook ons taalgebruik – over [integratie] strategisch en normatief, machtsbeladen en uitsluitend werkt. Ten tweed toont hij aan hoe een doorgeslagen focus op cultuur niet alleen de structurele maatschappelijke achterstellingen naar de achtergrond verdringt, maar ook individualiseert en leidt tot vormen van neo-racisme. Beide inzichten kunnen het debat opentrekken en beter kaderen, iets wat bv. in het hoofddoekendebat echt wel mag. Want waar zien we daar voorstellen voor de structurele ongelijke kansen en uitstroom in het onderwijs? Of wat bedoelen we met [integratie] ten aanzien van zelfbewuste, zich scholende en opwerkende jonge vrouwen, met en zonder hoofddoek, die nu het onderwerp (of lijdend voorwerp) van het hoofddoekendebat zijn?
Tegelijk stelt Schinkel’s boek teleur. Methodologisch omdat het zelf paradoxaal en contradictorisch is; want als geen ander moet Schinkel weten dat ook zijn discoursanalyse en ‘deconstructie’ van het debat strategisch is en/of strategisch wordt gebruikt. Maar bovenal is het teleurstellend omdat het onvoldoende bijbrengt aan – en nu moet ik opletten welke strategische taal ik hanteer – oplossingsstrategieën die kunnen bijdragen aan de emancipatie van (al dan niet) etnische groepen onderaan de sociale ladder, of aan een meer eigentijdse invulling van wat dan de (al dan niet multicultureel genoemde) samenleving van de 21ste eeuw is. Ook zonder migratie heeft een land, een samenleving en een democratie nood aan een beeld of beelden van burgerschap. Schinkel heeft gelijk dat de huidige invulling ervan bijzonder strategisch is vanuit de meerderheidscultuur, maar wat is dan dat ‘andere discours’ dat hij bepleit? ‘De gedroomde samenleving ‘ is een spiegel die een deel van onze samenleving en ons discours in beeld brengt en ons doet nadenken over het strategische van onze taal. Maar om de structurele achterstellingen en uitsluitingsmechanismen in de samenleving aan te pakken, of om de groeiende culturele conflicten emanciperend te maken, zal meer nodig zijn. Dat debat dringt zich dag na dag sterker op.
Willem Schinkel, 2008. De gedroomde samenleving. Kampen, uitgeverij Klement, 160 p.


Vrij, 25/09/2009 - 13:15
Zolang we we het over 'zij' en 'wij' hebben is de situatie uitzichtloos! Proficiat voor de glasheldere analyse!
Ma, 14/09/2009 - 23:50
Je bent behoorlijk scherp in je eindverdict, terwijl het uitblijven van een meer 'oplossingsgericht' antwoord nooit echt de sterke zijde is van een theoretisch socioloog.
Inhoeverre ziet Schinkel het integratiediscours niet als vehikel voor zijn 'deconstructieoefening' (en zou hij de oefening met evenveel enthousiasme gemaakt kunnen hebben op een ander thema)? Ik lees veel afstand in het boek. Maar tegelijk stoort me dat niet.
Schinkel neemt een sociologische distantie in acht die het mogelijk maakt om vernieuwend te kijken naar een maatschappelijk vraagstuk dat van dag op dag meer in termen van emotie dan van ratio verwoord wordt. De socioloog die met een pasklare oplossing komt voor complexe problemen kunnen we best wantrouwen. Dus in die zin niks nieuws.
Schinkel past zich ook in het debat in. Als Rath (o.a. in 'De constructie van etnische minderheden (2003) ' speekt over 'minorisering', dan bedoelt hij eigenlijk niets anders dan wat Schinkel verwoordt: sociaal culturele kenmerken worden gehanteerd door dominante groep(en) om minoriteiten in de samenleving 'op hun plaats' te houden.
Wat ik toch ook apprecieer is dat 'macht' (en de daarmee gepaard gaande structuur of ordening van een samenleving) opnieuw een issue is in dit boek. Het neemt afstand van de cultuuradepten die al jaren aan beide zijden het debat (ver)kleuren en - excusez le mot - versluieren. In die zin deel ik de kritisch noot naar Scheffer wel (zonder afbreuk te doen aan zijn bijdrage in het debat).
Plaats de analyse van Schinkel naar het verhitte ja/nee debat rond hoofddoeken dat vandaag opnieuw de wortels van de structurele achterstellingsprocessen verhult en ik vind toch wel wat houvast.
De mondige moslimmeisjes 'emanciperen'; maar... ze doen dit niet op de manier die we hen voorgespiegeld hebben - het is niet zoals 'we' dat graag gezien hadden en die emancipatie lijkt ook een vehikel voor een intrede van de islam in het openbare leven - en dat lijkt te wringen (ik geef toe, ook al eens bij mij).
Maar tegelijk zien we dat de strategische taal ook het debat domineert bij (een deel van) de betrokken moslim(a)s: wordt hun zaak niet gebruikt door krachten die niet meteen emancipatie willen puren uit het culturele conflict dat zich lijkt te vormen?
En wat met waardenordening? Religie stroomt de publieke ruimte opnieuw binnen en onlosmakelijk prikkelt dit het secularisatiedebat. (Schinkel blijft hier m.i. op de vlakte). Hieruit vloeien een aantal dilemmas voort in de waardenhiërarchie van ons samenleven. Een ongewenste keuze lijkt zich (als we de media mogen geloven) op te dringen: 'a choice between two equally unwelcome alternatives (...)" (Banks 2001). Een dichotoom perspecief: 'Verbieden of toelaten'.Dat is natuurlijk koren op de molen van iedereen die in dit debat het laken naar zich toe wil trekken - the winner takes it all, the loser standing small.
Dialoog bouw je echter niet op uitersten. Noch in de rechtbank of voor de Raad van State, noch in de media of in de rauwe stem van de straat. Dialoog vat je ook niet in kreten. Fundamentele zaken, 'waarden, vrijheden, rechten en plichten' liggen terecht op een rigide manier verankerd in ons bestel. Die verworvenheden in vraag stellen kan niet zomaar - en dat houden we best zo. Dat moeten we durven benoemen en benadrukken. Maar andere zaken staan open voor onderhandeling en dialoog - het hoofddoekendebat is er wellicht één van, het is een debat dat enkel in een context gevoerd kan worden. De symbolische samenleving heeft het moeilijk met een communicatieve dialoog.
En dan zou het best kunnen dat op het neutrale Antwerps Atheneum (een school die op vlak van inspanningen voor diversiteit toch meriten heeft) zo'n verbod een (tijdelijke) oplossing biedt, terwijl het in een andere context bijdraagt aan de polarisering. Ik kan daar niet over oordelen. Geen of/of.
Terug naar Schinkel. Wellicht is mijn reactie hier gelardeerd met strategische taal :), ik betrap mezelf er op dat ik in mijn pleidooi voor afstand nemen van het 'culturaliseren' zelf de culturaliserende toer op ga. 't Is niet altijd makkelijk om tot de meerderheidscultuur te behoren en toch genuanceerd te blijven denken en handelen. Sta me toe me even polariserend uit te drukken: aan beide zijden van het debat staan gekoesterde waarden op het spel. Hoog tijd om daarover een evenwaardige dialoog aan te gaan en - kan dat nog - het strategische spel in te ruilen voor een communicatief handelen.
Dat communicatief handelen verhoudt zich niet met abstracte retoriek, maar heeft nood aan een plaats in het alledaagse.
Om even een omweg langs de metaforen van Kunneman te maken: we hebben in deze discussie nood aan kampvuren, want de lantarenpalen laten ons het licht niet zien.
Tot slot, en dat is een vraag die me bezig houdt en die Schinkel, zij het onrechtstreeks voedt: de schuldvraag. Waarom altijd de schuldvraag - dominant in elk actueel maatschappelijk debat? Wie is juist en wie is fout.
Die schuldvraag verlamt debat, verhardt standpunten en brengt mij - bange (?) blanke geseculariseerde middenklasser in een lastig parket. Politieke correctheid brengt me soms in een lastig parket. Ben ik echt een onderdrukker? En voelt mijn islamitische collega, student of buur zich door mij onderdrukt? Of treft hèm net schuld? Omdat hij is wie hij is? Omdat hij opkomt voor een gewaarborgd recht om zijn religie naar eigen inzicht te beleven en daarbij al eens mijn seculiere verworvenheden in vraag durft te stellen? Waarom moet één van ons schuld hebben?
Ik wil koesteren wat ik belangrijk vind en geef anderen de ruimte om hetzelfde te doen. En ja, dat vergt aandacht en ook respect voor mekaars gevoeligheden en grenzen. Noem het maar een soort van sociale empathie. Het is die empathie die vandaag lijkt ondergesneeuwd door kreten en strategie.
Schinkel stelt in dat verband gedurfde vragen.
Maar de 'antwoorden', die zullen van ons allen moeten komen.
Michel Tirions, m.tirions@gmail.com