Mensen die langdurig een beroep moeten doen op het Antwerpse OCMW, krijgen vanaf 2011 een hoger bedrag op aanvullende steun. Meer dan terecht, want het leefloon ligt immers nog altijd lager dan de Europese armoedegrens en volstaat niet om menswaardig te leven. Bovendien zou het OCMW er meer geld voor willen uittrekken, iets wat in Antwerpen met zijn besparingen allesbehalve evident is. Achter dit goede nieuws zit echter een stevige angel verscholen. De verhoging van steun voor sommige mensen die een beroep doen op het OCMW gaat samen met een verlaging van steun voor anderen.
Het OCMW vervangt vanaf 2011 de bestaande huur- en verwarmingstoelagen door een hoger bedrag aan aanvullende steun, op het niveau van de inkomensgarantie voor ouderen. Een hoger bedrag, maar voor een kleinere groep: alleen wie ouder is dan 60 jaar, 66% gehandicapt of niet meer activeerbaar voor de arbeidsmarkt komt in aanmerking. De leeftijdsgrens om in aanmerking te komen voor een hoger bedrag aan aanvullende steun wordt daarbij opgetrokken van 50 naar 60 jaar. De anderen krijgen enkel een leefloon, en steun in hun activeringstraject. Deze maatregel past in het doorgedreven activeringsbeleid van het Antwerpse OCMW. Men zal daarbij het aantal geschikte (sociale) tewerkstellingsplaatsen voor de 50plussers moeten opdrijven, ondermeer door meer plaatsen in artikel 60.
Je kan een debat voeren over het onderscheid naar activeerbaarheid, maar het blijft hoe dan ook verdedigbaar dat je een hoger bedrag aan aanvullende steun voorziet voor wie niet lange tijd, of definitief niet meer op de arbeidsmarkt terechtkan omwille van leeftijd, handicap of beperkingen. Een hogere uitkering garandeert deze mensen een beetje meer een leven in waardigheid, zoals de wet de taak van het OCMW omschrijft.
Vanuit die logica is het echter onbegrijpelijk dat de Antwerpse OCMW-raad nog een criterium toevoegt: de verhoogde aanvullende steun zal enkel gelden voor wie in het bevolkingsregister is ingeschreven. Wie in het vreemdelingenregister is ingeschreven en een aanvraag voor steun doet, heeft in de toekomst niet langer recht op aanvullende bijstand. Niet alleen het verhoogde bedrag wordt hen ontzegd, ook de huur- en verwarmingstoelagen vallen in de toekomst weg. Zo ontstaat een tweestromenland, met twee soorten mensen die langdurig afhankelijk zijn van het OCMW. De ene oudere of gehandicapte in de stad krijgt recht op aanvullende steun, de andere niet (meer) tijdens de jaren dat hij of zij in et vreemdelingenregister is ingeschreven. Het verblijfsstatuut van mensen bepaalt voortaan het niveau van menselijke waardigheid.
Bijna 20 jaar gelden doctoreerde toenmalig OCMW-raadslid Dirk Luyten. In zijn proefschrift ‘OCMW en armenzorg. Een sociologische studie van de sociale grenzen van het recht op bijstand’ toonde hij haarscherp aan hoe OCMW’s discrimineerden in hun aanvullende bijstand. Dezelfde steunregels werden discriminerend toegepast al naargelang het profiel van de klanten. De OCMW’s onderscheidden ‘goede’ en ‘slechte’ armen, ‘witte’ en ‘zwarte’ schapen. De eerste kregen (meer) aanvullende bijstand, de anderen minder of geen.
Vandaag zetten we een stap verder. Van een ongelijke toepassing van gelijke regels zetten we nu de stap naar ongelijke regels zelf. Het categoriale verschil institutionaliseert voortaan de ongelijke behandeling inzake aanvullende steun. Menselijke waardigheid bestaat blijkbaar in soorten. Het zal de volgende maanden bij beroepsprocedures moeten blijken of de arbeidsrechtbanken dit onderscheid legitiem of discriminerend vinden. Indien ze het garanderen van de menselijke waardigheid als uitgangspunt nemen, dan is een terugfluiting van het Antwerpse OCMW voor dit onderscheid te verwachten...

