Het aantal mensen dat moet aankloppen bij het Antwerpse OCMW, is in de eerste helft van 2009 duidelijk gestegen. Einde juni 2009 ontvingen 4.648 gezinnen een leefloon (tegenover 4.233 in januari 2009). Ook de groep mensen die een beroep doen op het equivalent leefloon stijgt. Einde juni 2009 ging het om 1.737 individuen en gezinnen (tegenover 1.445 in januari 2009). Of neem je het totaal van alle gezinnen die één of andere vorm van financiële steun krijgen van het OCMW, dan zien we een stijging van 6.694 gezinnen in januari 2009 naar 7.332 klanten einde juni 2009.

Alles laat uitschijnen dat ook de volgende maanden het aantal mensen in armoede dat aanklopt bij het OCMW zal toenemen. Er speelt immers een vertragingseffect. Na jobverlies kunnen mensen nog beroep doen op een opzegvergoeding, op uitkering van vakantiegeld, op een werkloosheidsuitkering of op spaargeld. Pas wanneer die bronnen opgedroogd raken, wordt een stap naar het OCMW onvermijdelijk. Naast de cijfers merk je het ook aan de verhalen van mensen die aankloppen voor bijstand: de interimbureau’s weigeren mensen wegens onvoldoende jobaanbod. Men kan in tijden van werkloosheid de lat ook hoger leggen, bijvoorbeeld inzake taalkennis.

Ten slotte zal in 2010 een stuk van de verdoken armoede in onze stad zichtbaar worden, wanneer mensen zonder papieren de kans krijgen om hun situatie te regulariseren. Een deel van hen zal ook tijdelijk een beroep op het OCMW moeten doen, om eindelijk ‘een leven te leiden in menselijke waardigheid’, zoals de OCMW-wet voorziet. En dat is goed ook, want dat is de taak van het OCMW. Maar dat alles betekent wel dat men de volgende maanden meer zal moeten investeren in sociaal beleid: voldoende maatschappelijk werkers om mensen goed te begeleiden, voldoende opleidingsplaatsen voor taal- en werkvaardigheden, voldoende plaatsen in sociale tewerkstelling om mensen werkervaring te laten opdoen. Zeker in crisistijden moet een rijke stad als Antwerpen sociale keuzes maken.