Een kleine 11.000 gezinnen kunnen hun huur niet meer betalen, berichtte De Morgen gisteren. Ook worden steeds meer klanten geschrapt bij hun elektriciteitsleverancier. 'Alle onbetwistbare signalen belanden stelselmatig in de beleidsdoofpot', schrijft Luc Goossens vandaag in een opiniestuk in De Morgen. Het lezen meer dan waard:

“Het siert de koepel van Vlaamse gemeentebesturen en OCMW's (VVSG) dat ze aan de alarmbel trekt en signaleert dat steeds meer gezinnen in het rijke Vlaanderen, ook binnen de middenklassen, vechten voor hun thuis. Laat ons nu maar hopen dat onze overheid eindelijk ook oor krijgt voor die noodkreet. Want nieuw is het signaal allerminst. In opdracht van de Vlaamse regering leveren universitaire studiecentra onafhankelijk van elkaar al tientallen jaren onderbouwde onderzoeksrapporten af die in eenklank heel precies de pijnplekken van ons woonbeleid in beeld brengen.

Tot vandaag moeten we echter constateren dat al die onbetwistbare signalen stelselmatig in de beleidsdoofpot belanden en dat Vlaanderen niet een serieuze poging onderneemt om uit het oude unitaire vaarwater te komen. Waarover gaat het? Sinds de eerste wet op de volkshuisvesting van 1889 zweren alle overheden en politieke partijen bij een woonbeleid dat individueel woningbezit aanmoedigt. Daar is op zich niets verkeerd mee als het maar niet ten koste gaat van alle bewoners die ondanks de massale overheidssteun nooit eigenaar kunnen worden. En dat is nu uitgerekend wel het geval. Het leeuwendeel van de federale en regionale overheidsmiddelen voor wonen blijft nu al exact 120 jaar gereserveerd voor eigendomsverwerving. 75 procent van de Belgische gezinnen woont zodoende vandaag in zijn eigen huis. Dat zou een mooi en eerbaar resultaat heten als het niet ten koste ging van de woonkwaliteit van honderdduizenden zwakke en kwetsbare huishoudens. Die zijn vandaag aangewezen op een onverantwoord beperkte sociale huursector (5,5 procent van de woningmarkt) en op de private huursector (20 procent van de woningmarkt) waarvan de overheid sinds jaren weet dat de gemiddelde woningkwaliteit minstens bedenkelijk is. Huurders op de private woningmarkt wonen dus veelal niet alleen ondermaats, ze worden ook zogoed als vergeten door de overheid en zijn bovendien het slachtoffer van een sterk liberale huurprijsvorming. Huurders betalen met andere woorden al lang (veel) te veel voor (veel) te slechte kwaliteit.

Dat onze overheden en politieke partijen unaniem doof blijven voor de woonnood van uitgerekend de zwakste medeburgers is minder verbazend dan men op het eerste gezicht zou veronderstellen. Allereerst is er de macht der gewoonte in hoofde van de beleidsverantwoordelijken, nog versterkt door de ruime verwachtingen rond overheidssteun bij de eigenaars en kandidaat-eigenaars. Maar omdat Vlaanderen in wezen maar ook cijfermatig een middenklassensamenleving is, manifesteren alle politieke partijen ook een electorale afweerreflex wanneer hen gesuggereerd wordt het overheidsbudget voor wonen te herschikken ten voordele van de zwakste bewonersgroepen, dus zeg maar vooral ten bate van de huurders. Ze vrezen namelijk dat de klasse van de (virtuele) woningbezitters zich in het stemhokje zal revancheren op wie voorstelt hen met minder overheidssteun te verwennen. Onlangs is een aanzet tot zo'n reactie overigens erg concreet aan de oppervlakte gekomen naar aanleiding van de plannen van minister voor Wonen, Freya Van den Bossche, om de riante Vlaamse renovatiepremie "in minder elitaire zin" te hervormen: Open Vld noemt de aangescherpte renovatiepremie "een besparing op de kap van werkende gezinnen".
De Vlaamse renovatiepremie illustreert overigens de blijvende steun die eigenaars als woningbezitters blijven genieten, ook na de fase van de eigendomsverwerving. Denk bijvoorbeeld aan de vele tegemoetkomingen die vele overheden voor energievriendelijke woninginvesteringen veil hebben en die bijna exclusief voor woningbezitters gereserveerd blijven. Omgekeerd moeten kleine groepen huurders vrede nemen met amper 5,5 procent sociale huurwoningen en met huursubsidies die naam niet waardig.
Zelfs wie niet gevoelig is voor rechtvaardigheid en sociaal geïnspireerde herverdelingsargumenten moet toch wel in gedachte kunnen nemen dat de gevolgen van slecht wonen de betrokken huishoudens, maar ook de samenleving als geheel met onnodig veel extra kosten opzadelt: slecht wonen maakt ziek en leidt bijgevolg tot vermijdbare kosten en uitgaven voor werkverlet, gezondheidszorgen en socialezekerheidsuitgaven. Slecht wonen leidt voor de betrokken kinderen tot minder goede schoolresultaten met alle bijbehorende gevolgen, onder meer bij de inschakeling op de arbeidsmarkt en uiteindelijk zelfs in verband met het fenomeen van de generatiearmoede. Slecht wonen leidt tot te hoge energierekeningen, te hoge CO2-uitstoot, klimaatopwarming,... Slecht wonen leidt tot gespannen relaties binnen de getroffen gezinnen. En noem maar op.

Redenen te over dus om het Vlaamse woonbeleid een totaal andere koers uit te sturen. Zeker gezien de huidige, precaire overheidsfinanciën is het 'waarschijnlijk' politiek niet realistisch om meer middelen voor wonen te bepleiten. Maar binnen het daarvoor beschikbare overheidsbudget werk maken van een herschikking ten voordele van de zwakste bewoners, dat moet wel op de politieke agenda komen. En dan vormen de (te berekenen) maatschappelijke kosten van slecht wonen mogelijk een doorslaggevend argument.
In dat verband zit de politieke constellatie vandaag goed: de sp.a levert de zittende Vlaamse minister voor Wonen en mevrouw Van den Bossche heeft in de korte periode die haar tot nog toe is gegund al minstens twee keer duidelijk gemaakt dat ze wonen op een sociaal verantwoorde manier wil bijsturen. Maar bovendien moet ze beslist kunnen rekenen op haar eigen partij, die onlangs heeft laten verstaan de kleine man opnieuw en uitdrukkelijk als politieke doelgroep te willen omarmen. Zeker nu de crisis en de armoede ook de meer bescheiden middenklassen aanwijsbaar treffen, kan die herijking van de socialistische idealen trouwens electoraal ook nog lonend blijken. In alle ernst gaan we er in elk geval ook vanuit dat zeker ook de ACW-vleugel van CD&V in een woonbeleid 'sociale stijl' ver zal willen meestappen.

Hoe dan ook, het wordt hoog tijd dat er rond wonen opnieuw wat zwaait. Hoe belangrijk het Oosterweeldossier ook mag zijn, ook het woondossier betreft heel Vlaanderen en grijpt diep in op de dagelijkse leefomstandigheden van een deel van de bevolking dat dat van de stad Antwerpen ruimschoots overtreft. Bedenk trouwens dat de dringend noodzakelijke woninginvesteringen in veel economische sectoren ook voor behoorlijk wat bijkomende werkgelegenheid borg kunnen staan. Als we nu ook eens lang wapperden over wonen?”

Luc Goossens is huisvestingsspecialist van de Universiteit Antwerpen, waar hij deel uitmaakt van de Onderzoeksgroep Armoede, Sociale uitsluiting en de Stad (Oases).