De Nederlandse les zit (over)vol

Nieuwe commentaar toevoegen

Wie Nederlands wil leren in Antwerpen, kon zich deze week inschrijven in het Huis van het Nederlands voor het nieuwe schooljaar. Alleen, amper een uur na het openen van de deuren waren alle plaatsen al volzet. Dat ze eerst Nederlands leren, mijnheer…

Voorlopige schattingen spreken van 2000 plaatsen tekort in Antwerpen. Allemaal mensen die minstens moeten wachten tot januari 2011 om aan de lessen te beginnen. Volgens Gazet van Antwerpen zijn de helft van de mensen die zich komen inschrijven in Antwerpen nieuwkomers die de verplichte inburgeringscursus volgen. Dertig procent zijn mensen die al werken en zich vrijwillig aanmelden voor de lessen. De anderen zijn doorverwezen naar het Huis van het Nederlands door de VDAB en het OCMW. Zij krijgen nu te horen dat ze maanden of zelfs een jaar moeten wachten. Dit betekent vaak nog minstens een jaar zonder job en een OCMW-uitkering. Met de druppelsgewijze regularisatie zal de wachtlijst nog verder groeien.

Inburgering en taallessen zijn Vlaamse bevoegdheden. Wat we zelf doen… De Vlaamse regering ondergraaft zo niet alleen de geloofwaardigheid van haar eigen inburgeringsbeleid. Ze hypothekeert ook de kansen op een sociaal beleid in de stad.

Mijn collega-OCMW-raadslid en ondervoorzitter Luk Lemmens (N-VA) bepleit daarom dat het OCMW van Antwerpen zelf anderstalige nieuwkomers de Nederlandse taal moet kunnen bijbrengen. Volgens Luk Lemmens zou het OCMW zelf aanvullende opleidingen kunnen aanbieden, mits we daar de middelen voor krijgen. Een terechte reactie, al rijst de vraag wie dat gaat betalen? Is Vlaanderen bereid de noodzakelijke extra middelen uit te trekken? En met welk geld zou het Antwerpse OCMW dit moeten doen, op een moment dat de besparing van het stadsbestuur van meer dan 30 miljoen euro alle ruimte voor nieuwe initiatieven heeft weggesneden. Meer nog: het OCMW moet in het rood gaan om de uitkeringen de rest van dit jaar te kunnen uitbetalen.

Zoals alle grote steden in Europa verkleurt Antwerpen snel. Alles wijst er op dat deze demografische evolutie en de migratie zich de volgende jaren zal voortzetten. De debatten over de wachtlijsten laten opnieuw zien hoe we jaren tijd verloren hebben met de vraag of we die migratie wel willen. Verblindt door dat debat, hebben we ondertussen onvoldoende geïnvesteerd om de migratie op een sociale manier op te vangen. Steden als Antwerpen en Brussel betalen daar nu de prijs voor, met een groeiende dualisering. En de mensen zelf betalen de prijs. Er is geen andere keuze dan massaal te investeren in de mogelijkheden om Nederlands te leren, een diploma te halen, aan werk te geraken. Alleen maken we daar nog steeds te weinig middelen voor vrij. Op ieder van deze domeinen groeit de achterstand. Daarmee treffen we niet alleen migranten en nieuwkomers, maar heel de stad. In de politieke termen van vandaag: wil iemand hier de federale en de Vlaamse regering, maar ook het stadsbestuur dringend responsabiliseren?

Onkruid of armoede bestrijden?

Nieuwe commentaar toevoegen

Rotterdam wil mensen met een bijstandsuitkering vrijwilligerswerk laten doen. De stad Antwerpen onderzoekt hoe ze mensen met een leefloon onkruid kan laten wieden. In beide steden wil men verdere stappen zetten in het activeren van mensen met een bijstandsuitkering. Dat een overheid meer moet doen dan mensen een uitkering geven, is in de actieve welvaartsstaat verworven. Mensen kansen geven en begeleiden naar integratie op de arbeidsmarkt kan een cruciale hefboom voor emancipatie. Maar activering heeft soms ook een keerzijde: mensen dwingen in jobs die voor hen niet geschikt zijn (omdat bv. hun gezondheid het niet toelaat) of ze onvoldoende begeleiden kan hen ook dieper in de put helpen.

Volgens huidig schepen en voormalig vakbondsman Guy Lauwers “kampen een aantal stedelijke diensten regelmatig met een tekort aan personeel. En dat terwijl veel mensen werkloos thuiszitten met een leefloon. Wat we willen doen, is bij hoge nood leefloners inzetten waar nodig. En de stedelijke groendienst is daar een mooi voorbeeld van.” Een concreet voorstel ligt in Antwerpen nog niet op tafel. Voor een definitief oordeel is het dus nog te vroeg. Maar als de stad dit verder wil onderzoeken, houdt ze best vijf sociale basisregels voor ogen. Het maakt immers een wereld van verschil of men onkruid of armoede wil bestrijden.

1. Ken je sociale geschiedenis. In de 19de eeuw legden dwangarbeid op, om mensen te disciplineren in de fabriek te gaan werken bij de opkomst van het kapitalisme. Het recht op leefloon en op maatschappelijke integratie daarentegen vormen het sluitstuk van een welvaartsstaat die uit een emanciperende traditie stamt. Activeringsbeleid moet op die emanciperende traditie blijven voortbouwen.

2. Creëer duurzame jobs op maat. Leefloners als dagloners inschakelen om de gaten in het normale personeelsbeleid van de groendienst op te vangen, is dat niet. Maar investeren in sociale economie-projecten en mensen zo delen van het groenonderhoud laten verzorgen door mensen met een volwaardig (sociaal) arbeidscontract, is wel een verdedigbare piste. Toch zijn ook hier grenzen. Zo botsen steuntrekkers met een art. 60-contract van het OCMW na een aantal maanden tewerkstelling al te vaak op het einde van hun contract, en vallen ze terug op werkloosheid, niet op een duurzame job.

3. Verdring geen reguliere jobs. Dat de stedelijke groendienst vandaag niet alles rondkrijgt, heeft meer te maken met de aanhoudende daling van het aantal reguliere personeelsleden aan de stad dan met pesticide-richtlijnen. Dat los je niet op met leefloners.

4. Onderschat nooit de begeleidingskost. Sociale werkgelegenheid vraagt investeren in mensen: in toeleiding, in opleiding, in Nederlands op de werkvloer, in dagelijkse begeleiding op de werkvloer en eventueel in toeleiding naar reguliere jobs. Anders werkt het niet en help je de betrokkenen evenmin vooruit.

5. Hou je basisvoorzieningen draaiende. Leefloners onkruid laten wieden, zelfs met een goed contract, lost het financieel tekort van het OCMW niet op. Na de besparing van meer dan 30 miljoen euro van het Antwerpse stadsbestuur op het OCMW-budget begin dit jaar, raakt het Antwerpse OCMW de volgende maanden stevig in het rood. De armoede stijgt verder door de crisis en er is een geleidelijke instroom van mensen die – met veel vertraging – stilaan geregulariseerd geraken. Maar ideeën lanceren om leefloners onkruid te laten wieden, op een moment dat de stad weigert voldoende geld uit te trekken om het OCMW zijn kerntaak te laten doen, is op zijn minst tegenstrijdig te noemen. Anderen noemen het misschien zelfs cynisch. Leefloners op een sociaal verantwoorde manier kansen geven vereist alleszins dat men eerst het OCMW de noodzakelijke middelen geeft om haar basistaken op te nemen, wat vandaag in Antwerpen niet langer gegarandeerd is.

Het lijkt er steeds meer op dat Antwerpen op een sociaal kruispunt staat. Financieel snijden de asociale besparingen in de dagelijkse werking van het OCMW en worden ze met de dag minder onhoudbaar op het sociale veld. Met de huidige – blijkbaar nog niet uitgewerkte - voorstellen balanceert de stad op een slappe koord. Wil ze investeren – en dus middelen vrijmaken - in goed omkaderde sociale tewerkstelling, met jobs op maat, ondermeer in de groenvoorziening? De poetsploegen van de Witte Tornado’s, het buurtbedrijf Manus, de sociale restaurants van vzw CAS of de vele projecten van zogenaamde derden als Levanto of Werkvormm bieden dan een goede basis om op verder te bouwen. Dat vereist meer middelen voor sociaal beleid, en het terugschroeven van de onhoudbare besparingen op het OCMW. Anders lijkt onkruid bestrijden eerder een manier om te wieden in het aantal steuntrekkers en te besparen op uitkeringen. In dat geval wordt activering uitsluiting en zetten we grote stappen achteruit, ook in onze sociale geschiedenis. Koploper in duurzame activering, of koploper in sociale afbraak: die keuze zal men in Antwerpen de volgende weken moeten maken. In de huidige crisistijd laat men daar best geen gras over groeien.

Het land is moe (Tony Judt, 1948-2010)

Nieuwe commentaar toevoegen

‘Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid’ is een bijzonder boek. Niet alleen omdat het relevante vragen stelt, ook omwille van de auteur. Begin augustus 2010 overleed Tony Judt. De Britse historicus schreef en dicteerde het boek tijdens zijn strijd tegen zijn ongeneeslijke ziekte, waarbij geleidelijk alle spieren verlamd raakten, maar brein en bewustzijn intact bleven. In die omstandigheden blijven denken, en blijven denken aan een betere samenleving en politiek, verdient meer dan respect, bijvoorbeeld door te blijven stilstaan bij zijn werk.

De inleiding van het essay ‘Het land is moe’ is meteen scherp: ‘Er is iets fundamenteel mis met de manier waarop we vandaag leven. Dertig jaar lang hebben we de jacht op materieel eigenbelang als een deugd beschouwd; die jacht is tegenwoordig het laatste restant van ons gevoel voor een collectieve zaak (p. 13).’ Judt bekritiseert het materialisme en het egoïsme die het hedendaagse leven kenmerken. Hij wil als sociaaldemocraat aantonen dat het hoog tijd is dat de overheid (opnieuw) een sterkere rol speelt in ons leven, en dat dit kan zonder dat onze vrijheden worden aangetast. Links moet de rol van die overheid opnieuw definiëren, want anders doen anderen het (p. 21). Niet alleen in de Verenigde Staten is dit pleidooi voor een voldoende sterke overheid vandaag een tegendraadse boodschap, zelfs niet na de financiële crisis.

Judt ziet in onze samenleving een groeiende privé-rijkdom én tegelijk een groeiend openbaar verval, een collectief onvermogen om armoede en ongelijkheid te bestrijden. Ons onvermogen betreft ook het discours. Hoe kunnen we opnieuw minder ‘economistisch’ denken? Daarvoor blikt Judt terug op ‘de wereld die we kwijt zijn’, met degelijk gereguleerde markten, met de mogelijkheid tot mobilisatie van een heel land voor een collectief project (zoals de New Deal), met een samenleving die progressieve inkomstenbelasting zag als een probaat middel om overtollig bezit van de gepriviligeerde bovenlaag af te nemen en het ter beschikking te stellen van diegenen die dat het hardst nodig hadden. Niet alleen zo’n gemeenschappelijk doel, maar ook het vertrouwen ervoor lijkt vandaag verdwenen. De welvaartsstaten van de tweede helft van de 20ste eeuw boden dat vertrouwen wel. Niet alleen de economische crisis en de individualisering, maar ook de migratie hebben dat vertrouwen doen terugvallen, als de etnische homogeniteit in de Europese samenlevingen geleidelijk afnam.

Als historicus schetst Judt met enkele grote lijnen een stuk van de geschiedenis van Amerika en van de Europese welvaartstaten na de tweede wereldoorlog. Tegenover die veranderingen plaatst hij de ‘ondraaglijke lichtheid van de politiek’ en ‘de ironische nalatenschap van de jaren zestig’, waarna individualisme bijdroeg aan het verbrokkelen van het collectieve kader en de afname van een ‘gedeeld gevoel voor richting’. Links kreeg een tamelijk egoïstisch karakter, aldus Judt. Er kwam een nieuwe, uitgesproken onnatuurlijke consensus, waarin het primaat van het privébelang centraal stond (p. 97-98).

De keynesiaanse consensus maakte plaats voor de opkomst van het (neo-)liberalisme, met een aanbidding van de private sector en bijhorende privatiseringscultus. Algemene verantwoordelijkheden raakten verplaatst naar de particuliere sector, zonder dat de maatschappij als geheel daar enig voordeel van heeft. Het resultaat is volgens Judt ‘de ergste soort gemengde economie: individueel ondernemerschap oneindig gesteund met overheidsgeld’ (p. 117). Het gevolg van de desintegratie van de publieke sector is dat het ons meer moeite kost dan voorheen om te begrijpen wat we met elkaar gemeen hebben. En wat vele van onze politici betreft: ‘als begunstigden van de verzorgingsstaten waarvan zij de instituties ter discussie stellen zijn het kinderen van Thatcher: politici die leidinggeven aan de ondermijning van de ambities van hun voorgangers’ (p. 139).

Judt is daarbij scherp voor links en de sociaaldemocratie, omdat zo ‘een historisch onderbouwd verhaal wegvalt, en dan blijft er slechts politiek over: de politiek van de belangen, de politiek van de afgunst en de politiek van herverkiezing’ (p. 145). ‘Het probleem is vandaag de dag niet meer het beleid dat de sociaaldemocratie voorstaat, maar hun uitgeputte taal’ (p. 146). ‘Tegen het einde van de 20ste eeuw had de sociaal-democratie in Europa veel van zijn lang gekoesterde doelstellingen verwezenlijkt, maar de achterliggende principes waren vergeten dan wel losgelaten’ (p. 149). ‘De dilemma’s en tekortkomingen van de verzorgingsstaat zijn dan ook niet alleen het gevolg van een gebrek aan economische samenhang, maar worden ook in aanzienlijke mate veroorzaakt door politieke lafheid’ (p. 152).

‘Wat moet er gebeuren?’, vraagt Judt zich in het laatste deel dan ook af. Helaas volgt na die scherpe analyse het minst sterke deel van het boek. Judt pleit voor ‘tegengeluiden’, van politici en intellectuelen, maar geen van de bestaande politici lijkt die te bieden. Obama krijgt daarbij al evenmin het vertrouwen. Judt pleit voor een hervorming van het openbare debat, inclusief een herdefinitie van rijkdom (p. 171). We kunnen volgens hem niet anders – in deze tijden van opnieuw groeiende armoede – dan het sociale vraagstuk heropenen en een nieuw moreel kader te ontwikkelen. Bij gebrek daar aan is links er tot nu toe ook niet in geslaagd om een effectief antwoord te geven op de financiële crisis van 2008 (die doorwerkt tot vandaag).

Judt bepleit het belang van een ‘moreel kompas’, waarbij we termen als ‘gematigdheid’ opnieuw moeten verdedigen (p. 182). En als we keuzes moeten maken, dan ‘moet van alle wedijverende en slechts gedeeltelijk met elkaar in overeenstemming te brengen doelen die we nastreven, het terugdringen van ongelijkheid de eerste zijn’ (p. 184). Dat is voor hem dan ook de basistaak van de sociaal-democratie. Deze ‘vertegenwoordigt geen ideale toekomst, zij vertegenwoordigt niet eens een ideaal verleden. Maar onder de mogelijkheden waar wij vandaag uit kunnen kiezen, is er niets beters voorhanden’ (p. 223), besluit Judt. Op dit punt in het boek lijkt niet zozeer het land, maar de auteur en de sociaal-democratie moe…

Toch blijft ‘Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid’ een sterk essay, dankzij de gebalde analyse van een halve eeuw verzorgingsstaat, en de teloorgang van de idealen daarvan. Judt pleit tegendraads voor minder ongelijkheid, meer collectieve idealen en een sterkere overheid in het algemeen belang. Hij gaat in zijn analyse en kritiek terug naar de fundamenten van de welvaartsstaat en van de sociaaldemocratie. De sterke focus van zijn analyse legt tegelijk ook een belangrijke zwakheid bloot: de auteur kijkt iets te veel terug en raakt de nieuwe uitdagingen van de 21ste eeuw amper aan: de impact van migratie op de Europese welvaartsstaten en op solidariteit wordt slechts zeer summier betrokken. Klimaatopwarming als uitdaging (ook inzake ongelijkheid) komt amper aan bod. Vanuit zijn Angelsaxische achtergrond als sociaal-democraat mist Judt hier twee cruciale thema’s van de ecologische agenda voor de 21ste eeuw. Voor al wie zich door Judt’s pleidooi voor een sterker sociaal en maatschappelijk discours en een sterke overheid laat inspireren – en dat zijn er hopelijk velen – blijft er dan ook heel wat werk aan de winkel om ook deze ontwikkelingen in een eigentijds verhaal prioriteit te geven, daarbij even vrij denkend als Tony Judt deed.

(Tony Judt, 2010. Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid. Amsterdam, Uitgeverij Contact, 239 p.)

OCMW Antwerpen in het rood

Nieuwe commentaar toevoegen

In twee stappen bespaarde het Antwerpse stadsbestuur meer dan 30 miljoen euro op het OCMW-budget voor 2010. Asociaal en onhaalbaar, stelde ik in februari, een sluipmoord op het OCMW in volle crisisperiode, met toenemende armoede, en met een regularisatie die (ondanks alle vertragingen in Antwerpen) zich geleidelijk voltrekt. Volgende maand gaat het OCMW dan ook in het rood, en het politieke debat daarover komt stilaan op gang. Al lijkt de Antwerpse meerderheid voorlopig nog steeds niet geneigd de middelen voor armoedebeleid vrij te maken die nodig zijn.

De voorbije week luidde ondermeer Marco Laenens de alarmbel. In Gazet van Antwerpen verscheen dit weekend een scherp commentaar. Ik neem het hieronder graag integraal over. Misschien moeten alle gemeenteraadsleden het ook eens lezen? En maken ze eindelijk de middelen vrij voor een echt sociaal beleid, in plaats van achterhoedegevechten rond de tekorten ende regularisatie te blijven voeren?

"Onbehoorlijk bestuur in het kwadraat: “De zwaksten betalen de rekening voor dit politieke armworstelen”

Antwerps waarnemend OCMW-voorzitter Marco Laenens (Open VLD) trekt aan de alarmbel. In september is er geen geld meer om de leeflonen te betalen van mensen van buiten de Europese Unie. In december is het geld op voor de leefloners van binnen de Europese Unie en de Belgen.

Vrees niet, deze mensen zullen niet zonder geld vallen. Het OCMW is verplicht om het leefloon uit te keren. Alleen stelt zich de vraag van waar het geld moet komen, de stad of het OCMW.

Het ergste is vooral dat de bestuurders van Antwerpen wisten dat dit zou gebeuren. Als er ooit een boek wordt geschreven met de titel Onbehoorlijk bestuur voor dummies, dan krijgt Antwerpen een volledig hoofdstuk.

Eind vorig jaar had het OCMW een begroting met een tekort van 30 miljoen euro. Er was rekening gehouden met de toename aan steuntrekkers als gevolg van de economische crisis en de regularisatie. Gouverneur Cathy Berx floot het OCMW en de stad terug in december. De bijpassing van de stad aan het OCMW was ontoereikend om dit op te vangen. OCMW-voorzitster Monica De Coninck (sp.a) ging met een rode stift door haar begroting. Zij bleef schrappen tot het tekort was weggewerkt. In maart keurde de gemeenteraad de begroting in evenwicht goed. Iedereen wist toen al dat hiermee de problemen niet opgelost waren. De geregulariseerden en de slachtoffers van de economische crisis zouden blijven aankloppen voor steun.

Door het been stijf te houden maakt Antwerpen de federale overheid duidelijk dat het niet is gediend met het afwentelen van de financiële gevolgen van de regularisatie op de lokale besturen. Terecht, maar ik vrees dat de federale overheid niet onder de indruk is, want het OCMW is verplicht om de leeflonen te betalen.

Een halfjaar na de beslissing van de gemeenteraad is er nog steeds geen oplossing. Federale verkiezingen en de zomervakantie waren blijkbaar belangrijker. Het OCMW zegt dat er niets meer te besparen valt. In het schepencollege wil niemand een van zijn speelgoedjes afgeven om het OCMW uit de nood te helpen.

Binnen het OCMW hangt een sfeer van opperste zuinigheid. Wie enkele maanden geleden nog een huur- of verwarmingstoelage kreeg, valt nu uit de boot. De zwaksten betalen dus de rekening voor dit politieke armworstelen. Dit is onbehoorlijk bestuur in het kwadraat." (Bron: Sacha Van Wiele, gazet van antwerpen zaterdag 7 augustus 2010)

'Onzekerheid. Over leven in de risicomaatschappij' nu herdrukt

Nieuwe commentaar toevoegen

Zopas is bij Acco de tweede druk verschenen van mijn boek 'Onzekerheid. Over leven in de risicomaatschappij.' Ook twee jaar na de eerste druk blijft het boek brandend actueel. Ondanks de crisis waren we nog nooit zo rijk als vandaag. Toch staat onzekerheid paradoxaal genoeg hoog op de agenda, maatschappelijk, politiek, sociaal, economisch en in de persoonlijke levens van mensen. Van de economische crisis tot de eigen job, van de klimaatopwarming tot de eigen gezondheid, van globalisering tot de migratie in de eigen straat of buurt: onzekerheid is alomtegenwoordig in een steeds sneller veranderende maatschappij.

Die veranderende maatschappij typeer ik met de Duitse socioloog Ulrich Beck als een mondiale risicomaatschappij. Dat blijft voor mij een verhelderend en vernieuwend kader om de vele veranderingen vandaag te begrijpen en te kunnen kaderen.

De nu al drie maanden durende olieramp in de Golf van Mexico staat (voorlopig) nog niet in het boek. Al is het een zoveelste voorbeeld van de overgang naar een risicomaatschappij, waarin steeds vaker technologie wordt gehanteerd die de samenleving nog niet, of niet meer onder controle heeft. De parallellen met de financiële crisis zijn vanuit dit oogpunt groter dan op het eerste zicht blijkt.

Meer informatie over het boek vind je hier.

Het boek is (opnieuw) te vinden in de boekhandel of bestelbaar bij uitgeverij Acco.